Verslag ronde 1

Ophef en vertier

Beker-B    WLC-ESV    2½ – 1½

U had erbij moeten zijn. Ik zal pogen een levendig verslag te doen verrijzen opdat u zich jaren later nog kunt herinneren dat u er daadwerkelijk ooggetuige van was. Want zo werkt het. Althans in mijn herinnering. Zo was ik bij de wedstrijd Engeland-Argentinië, die enigszins beladen van start ging vanwege een akkefietje over de Islas Malvinas of Falklandeilanden al naar gelang aan welke kant je destijds stond. En ik zag de hand van God de wedstrijd openbreken, waarna Engeland na vergeefs protest gedoemd door tegenslag kansloos ten onder ging.

Bij onze bekerwedstrijd ging het ietsje anders. Maar niet veel anders. Allereerst mochten wij na luttele (lees drie) kwartieren alreeds een 1-0 voorsprong noteren door subtiel doch meedogenloos schuiven van onze onvolprezen vierde man die dee waar die voor kwam: winnen. Zelden heb ik een tegenstander zo lang zo meewarig voor zich uit zien staren na een verloren partij als op deze gedenkwaardige avond. Het was werkelijk aandoenlijk; zo erg dat Dee besloot een rondje door de zaal te gaan lopen, teneinde met zijn brede glimlach niet nog meer onheil teweeg te brengen in ’s mans getormenteerde ziel.
Mijn innerlijke zelf raakt dan terstond uit een diepdoorvoelde soort van barmhartigheid geneigd mijn eigen tegenstander, de immer aimabele heer Wilbrink, ter compensatie het volle punt cadeau te doen, en ik was daar inmiddels hard naar op weg, maar dan besefte ik opeens het doel waartoe wij hier bijeenkwamen en wat er allemaal op het spel stond: De Brabantse Beker B!. Alle jaren dat wij een gooi naar deze felbegeerde trofee deden, sneuvelden wij aleer wij ons goed en wel in de loopgraven bevonden. (En was ik daarbij. Toeval bestaat, causale verbanden evenzeer, maar dat terzijde.)
Deze keer had ik niks aan het toeval overgelaten en met de hulp van onze Externe Wedstrijdleider uit ogenschijnlijk los zand een ijzersterk team gesmeed. Ik zeg ogenschijnlijk los zand, want bij mijn binnenkomst in de zaal bleken mijn teamgenoten zich verspreid te hebben zonder zich bewust te zijn van het feit dat zij teamgenoten waren. Dat is door de bank genomen wel het lot van bekerteam B: Er is nauwelijks tijd om voorafgaand aan de heroïsche veldslagen die ons wachten een midweeks trainingskamp of een survivalweekend in de Ardennen te beleggen. Onder mijn leiderschap kwam even later alles toch nog goed en hebben wij elkaar tenminste gevonden.

Aan bord één had ik Thomas opgesteld. Thomas is een echte teamspeler zoals ook nu weer zou blijken. Thomas voelde kennelijk feilloos aan wat er door zijn teamcaptain heenging toen hij zijn eigen partij opofferde, opdat ik uit mijn gewetensnood bevrijd zou zijn. Een andere verklaring heb ik er niet voor, aangezien Thomas met de noorderzon vertrok voordat we hem konden bevragen, maar niet voordat hij, met een stuk meer in een vlaag van opwinding en opperste verstandsverbijstering met zijn toren een pionnetje snaaide, daarbij de onderste rij een oogwenk in de steek latend, om daar vervolgens het enig overgebleven zwarte stuk te zien landen om zijn ongewapende koning te lijf te gaan. Deze kon geen kant op. Behalve in de doos. De stand was weer gelijk.
De vraag blijft staan of Thomas mij daarmee nu echt een dienst bewezen had. Wij hadden immers aan een gelijkspel niet meer genoeg, door de bizarre regel dat dan het vierde bord niet meetelt en laten wij nu juist daar vandaag onze held van de avond geposteerd hebben. Het zat weer eens niet mee. Maar het ergste moest nog komen.

Intussen aan bord twee. Suyash. Volkomen onverstoorbaar terwijl het bord in brand stond. Ik wierp een snelle blik, niet slechts ten behoeve van dit verslag maar tevens om te zien of ik zelf all out moest gaan of kon proberen, geheel tegen mijn natuur in doch in het teambelang en voor die beker die wij nog nooit gewonnen hadden natuurlijk, remise te schuiven. Ik kwam, ik zag en… ontwaarde in het aanschijns van het bord een brandend braambos; ontzagwekkend maar bovenal onbegrijpelijk. Met deze wetenschap keerde ik terug naar mijn eigen stelling. Over de stelling van Suyash nog even dit: beide partijen hadden twee torens een loper en een handvol pionnen hoegenaamd willekeurig over het bord verspreid. Wat opviel was dat beide koningen onveilig stonden maar allebei ten naaste vergezeld door twee torens. Niks aan de hand? Wel als je weet dat deze belendende torens stuk voor stuk van een andere kleur waren dan die twee koningen, als u begrijpt wat ik bedoel. Dit moest wel mat of eeuwig schaak worden, maar door wie of wat of hoe of dat, was voor mij onmogelijk te bevroeden.
Even later, mijn stelling was inmiddels hopeloos, bleek Suyash er een remise uitgesleept te hebben en kon ik mijn favoriete speelwijze ten uitvoer brengen: de dood of de gladiolen. Voor een remise was het overigens al veel te laat; Henny stond op het punt een pionnetje naar de overkant te geleiden. Tijd om rücksichtslos ten strijde te trekken in de hoop dat de dreiging hem zou weten te verleiden tot, liefst onomkeerbare, misgrepen. En bijna, ik zeg bijna, was mijn snode plan geslaagd. Het was niet de hand van God, verre van, nee het was de hand van heer Beijk, die hem te hulp schoot. Dat mag toch niet zult u zeggen? En dat was precies wat ik ervan zei. De toegeschoten wedstrijdleider had gelijk de scheidsrechter bij Argentinië-Engeland, niks gezien. De VAR was gelijk bij Argentinë-Engeland, nog niet uitgevonden. Wat was er gebeurd? In een volslagen hopeloze verloren stelling dreigde ik met een armzalig schaakje de zwarte stelling binnen te dringen. U moet weten, we hadden beiden nog een dame, Henny had een vrijpion op b2 en ik een pion op h6, maar op h7 stond er eentje gruwelijk in de weg. Henny zette zijn pion op b1, plaatste die vervolgens naast het bord, zocht naar een promotiestuk en vond een zwarte toren die hij vervolgens ondersteboven op het bord wilde zetten. Zover kwam het niet. Als een duveltje uit een doosje verscheen op b0 (nog net niet op b1) een zwarte dame, welwillend aangereikt door de andere helft van het duo Henny en Dannie. Na mijn protest daartegen werd de heer Beijk vriendelijk doch dringend verzocht zich niet met onze partij te bemoeien en constateerde de wedstrijdleider verder dat hij niet geconstateerd had dat er een toren op b1 geplaatst was en de zet dus nog niet afgemaakt was. Dank je de koekoek. Daar ging het nou net om.
Ik had inmiddels minder dan vijf minuten op de klok en met een increment van 15 seconden had ik Dee bereid gevonden mijn zetten te noteren. Dit was mijn redding. Menigeen uit mijn kennissenkring zou een dergelijke flagrante schending van de elementaire basisregels met een Cobra vier, vijf of zes ter discussie hebben gesteld, totdat van die hele Hoeksteen geen steen meer overeind zou hebben gestaan, maar mijn assistent Dee bleef de rust zelve. Ik mopperde nog wat na over twee tegen één is gemeen en dat de laatst uitgegeven Nederlandse vertaling van de officiële FIDE-regels de hoeksteen van ons edele schaakspel zouden moeten belichamen of woorden van gelijke strekking, maar Dee bleef de rust zelve, noteerde een dame op b1 en voort ging het.
Mijn dame slaagde erin een viertal pionnetjes (met schaak!) te grijpen totdat Henny er op zijn beurt in slaagde zich achter een van zijn twee dames te verschansen. Afruil was gedwongen en als die tweede dame nou een toren was geworden geweest, dan had ik ongetwijfeld een van mijn drie vrijpionnen naar gene zijde kunnen helpen en was de beker nagenoeg binnen handbereik gekomen. Maar geweest is geweest en is het niet geworden; mijn blote koning was een te gemakkelijk doelwit voor de enig overgebleven ronddansende dame om en passant mijn vrijpionnen te kunnen bemachtigen. Tel daarbij op mijn penibele klok- en dito geestestoestand en u begrijpt dat ik noodgedwongen de handdoek in de ring moest werpen.

Welgemeende felicitaties aan WLC; ik hoop dat zij dit jaar de beker winnen. En dat dan stiekem iedereen weet, dat die eigenlijk eindelijk ons toekwam. Na afloop aan de bar nog even nagepraat met Dee en alles mit ein letztes Glas im (Hoek)Steh’n kunnen relativeren. Dat dan weer wel.

Ron van Hoogstraaten