|

Interne revisited

Wat was het mooi. De witte velden, de stilte, de rust die over het land neerdaalde tegelijk met de sneeuw. Het leek wel of alles tot stilstand kwam. Niet alleen de treinen en het vliegverkeer die eerste weken van januari maar ook de mensen om je heen. Je kon schaatsen, koek en zopie, thuiswerken – wat al gauw verzandde in staren uit het raam als je gezegend was met uitzicht – of gaan wandelen door de bossen, de velden, de akkers alles bedekt onder een dempende laag witte kristallen. Het jachtige, het gehaaste waaraan wij ons plegen over te geven alsof het zo moet zijn kwam even tot bezinning. Sommige nieuwsberichten schreeuwden in eerste instantie nog om de erbarmelijk lage weerstandsgrens van ons landje; onze nationale luchthaven en trots, hoe kon die nou niet voorbereid zijn op een ietsepietsie kou? De Russen zouden ons uitlachen. In Siberië ging alles bij min veertig gewoon door. Daar plasten de passagiers als het moest op de wissels, hier hadden we niet eens verwarming onder elke spoorstaaf, laat staan dat wij onze forensen tot een dergelijke vaderlandslievende daad zouden kunnen aansporen. Toen het wat langer aanhield en ook de meerderheid begon in te zien dat je soms  beter mee kunt bewegen dan je verzetten tegen de natuur, veranderde de toon enigszins afhankelijk van welke kwaliteitskrant op je digitale mat plofte.
Ik verzet me alleen tegen door de mens veroorzaakte hittegolven, en wel zonder succes. Ik koester de sneeuw, de rust, de witte velden, de dagen dat alles stilvalt, de dagen dat je ongestoord kunt mijmeren, de dagen dat je zonder enig schuldgevoel om wat je allemaal nog meer aan nutte en onnutte dingen te doen stond een schaakbord pakt om, tegelijk met de stukken, je gedachten te laten gaan. Genieten van uren waarin je nadenkt over één hooguit twee zetten in stil contrast tegenover het gekkenwerk ergens in een subtropisch woestijnstaatje waar ze wereldkampioen proberen te worden in drieminutenpotjes. Niet dat ze in een seconde meer fouten maken dan ik in een uur, maar ik haat die haast, mensen doe toch rustig.

Onlangs speelde ik op de clubavond een partijtje in de interne competitie tegen John Doe (naam bij de redactie bekend) dat min of meer illustratief is voor bovenstaand betoog. Het tempo was zoals bekend vijfenzeventig minuten plus dertig seconden per zet dus net iets hoger dan een uur per zet, maar tegelijkertijd welbeschouwd oneindig laag. Oneindig, want na elke negenenveertig zetten moet je een pion verzetten of een stuk slaan en op zeker moment zijn de pionnen en de stukken op, maar wat weerhoudt een mens, behalve totale waanzin, om met de koningen door te gaan tot een van hen van uitputting in slaap valt en dertig seconden later door zijn vlag gaat? Gezond verstand allicht. Het vertoonde spel was niet hoogdravend of anderszins vermeldenswaard wanneer het opmerkelijke slot ontbroken had.

Er was eens een speler die steevast door zijn teamgenoten gefeliciteerd werd wanneer hij in de Spaanse opening op de vierde zet het paard op c6 in ruil voor zijn witveldige loper van het bord nam. Zij feliciteerden hem dan met een onvermijdelijke.. remise. U begrijpt: ik was die speler niet. Ik droom er wel eens van door mijn teamgenoten gefeliciteerd te worden wanneer ik in het Italiaans op de derde zet mijn loper naar c4 speel maar dan met de aanstaande overwinning. Helaas werd ik vele malen ruw wakker geschud en heeft nog niemand onomstotelijk bewezen dat zwart na deze krachtzet onherroepelijk verloren staat. Maar zolang ik nog niet elke mogelijke voortzetting heb gezien of geprobeerd, houd ik hoop. Men denkt wel eens tegen beter weten in.
Terug naar de partij. Vanaf de veertiende zet kreeg ik het niet alleen voor het zeggen op de zwarte maar ook op de witte velden. Weinig spannend dus en natuurlijk had ik er direct een eind aan kunnen maken, maar daartoe zijn we niet op aarde zeg ik altijd. Laten wij nog even genieten van het moment. En van de witte velden. Tijd voor een diagram:

Positie (hopeloos) na de 14e zet van zwart. Wit heeft een ontwikkelingsvoorsprong zoals dat heet en is ook vrij dominant aanwezig in het centrum. Volgens de ‘gouden regels’ (Stap 1?) moet ik alleen mijn koning nog in veiligheid brengen. Ik zal u vertellen waarom wit dit nog even uitstelt.

Tim Krabbé, naast onnoemelijk veel meer, verzamelaar van schaakcuriositeiten bracht mij ooit tot de bijna onsterfelijke partij van Edward Lasker tegen George Alan Thomas. Befaamd om zijn dameoffer op de elfde zet met mat in zeven, waarbij Sir Thomas niet anders kon dan zijn koning naar de overkant van het bord te laten leiden, de ultieme magneetcombinatie, alwaar Lasker van een mat in twee een mat in drie maakte, maar en passant verzuimde de partij werkelijk onsterfelijk te maken door deze te beëindigen met een rokade in plaats van een simpele koningszet. Later zou hij verklaren dat het efficiënter was om één in plaats van twee stukken te bewegen. Tim en ik vonden dat jammer..
Kijk naar en geniet van dit filmpje: youtube.com/watch?v=Rl2ky_tYkic Denk niet aan hoe het zou zijn gelopen als Sir Thomas 9..Lxe5 had gespeeld, want dat deed hij niet, maar geniet van de muziek, de dominantie van de loper over de witte velden, droom weg, denk aan sneeuw, aan adembenemend mooie witte velden. En rust.

Terug naar zoiets banaals als de interne competitie. Behept met voorkennis over de partij van Lasker hebt u al een idee waar dit naartoe zal gaan. Na 15.Lxg5 is het mat in elf. Ik speelde 15.Lxg5, zwart antwoordde met f6. Na 16.Lxf6+ is het mat in vier. Ik speelde 16.Lxf6+, zwart antwoordde met de beste zet: Kf7 want na de enig andere zet Pg7 is het immers Dxg7 mat. Zo joeg ik de zwarte koning nog wat verder over de velden totdat hij aanstalten nam zich erbij neer te leggen. We hadden inmiddels zet 22 en de volgende stelling bereikt:

Ik smeekte mijn tegenstander hier niet op te geven en zei hem: ‘Voor opgeven is het leven te kort.’ Ik prijs hem hier en nu voor het gevolg geven aan mijn bede en de partij. Want, – ziet u het ook? – ik meende hier mijn eigen onsterfelijkheid vorm te kunnen geven, of bij nader inzien dan toch, een slap aftreksel daarvan: nog drie zetten en dan 26.0-0#!

Sting droomde ooit van blauwe schildpadden. Die beesten moedigen je aan om het rustiger aan te doen en niet te forceren. Ze staan symbool voor standvastigheid en diepe innerlijke kennis waarbij de kleur blauw verbonden is met het vinden van de waarheid en de kracht van de geest. Ik gun dat iedereen. Max Dendermonde zei het in de jaren vijftig al: ‘De wereld gaat aan vlijt ten onder.’ En wij zien het gebeuren. Maar laat mij dan dromen van de witte velden, die onbeschrijfelijk mooie witte velden…

Zie hier voor meer (dan genoeg) informatie over deze partij.

Ron van Hoogstraaten