Het Tachtig-Plus-Syndroom

Het Tachtig-Plus-Syndroom

Voor de meeste schakers is de zomer een tijd waarin ze het schaakbord nauwelijks zien. Dan zijn ze meer buiten en daar willen ze wel eens wat anders dan bijna bewegingloos staren naar houtjes waarvan de meeste mensen het nut en nog minder de lol inzien. Ze zijn in zomerslaap. Maar dat geldt niet voor mij, want in juli krijg ik altijd ontwenningsverschijnselen. Preventieve therapie daarvoor? Me tijdig aanmelden voor ergens waar er toch gewoon wordt doorgeschaakt!

Ook dit jaar was ik er weer als de kippen bij om in Dieren plaats te nemen achter het schaakbord. Speciaal voor 50-plussers werd daar van 12 tot 18 juli al voor de 51ste keer het Seniorenschaaktoernooi georganiseerd. Ik deed voor het eerst mee in 2006, toen zelfs gratis,omdat ik in 2005 Veteranenkampioen van de Noord-Brabantse Schaakbond was geworden. De winnaar van het landelijke Seniorentoernooi mag zich, mits meer dan 65jaar oud, zelfs Veteranenkampioen van Nederland  noemen.

Voor de oplettende lezertjes: 50-plussers mogen wel meeschaken maar kunnen zolang ze nog geen 60 zijn hoogstens Seniorenkampioen worden. En om het helemaal ingewikkeld te maken: omdat in die jaren teveel schakers gezond oud bleken te kunnen worden, werd vanaf toen de minimum leeftijd voor veteranenkampioenen verhoogd van 60 naar 65 jaar. Maar dat is dus alweer twintig jaar geleden.

Bij de strijd om het Veteranenkampioenschap heb ik het nooit ver gebracht. Later, een niveau lager, was ik succesvoller. Dat ‘lagere niveau’ bestaat dan steeds uit groepen van 12, ingedeeld volgens rating/Zwitsers. Vijf dagen lang. In gewoon KNSB-tempo. Niet meer dan één partij per dag, want het is tenslotte vakantie. Ik heb me altijd in de sterkste groep kunnen handhaven. De eerste keer werd ik daarin zelfs eerste. Maar dit keer werd ik daarin maar twaalfde, dus laatste. En meer dan veertig Elo-punten armer…

Is dat erg? Nee! Want ik heb ontdekt, zo moet ik eerlijk toegeven: ik heb het tachtig-plus-syndroom! Omdat bijna niemand van onze club weet wat dat is, zal ik het kort de belangrijkste symptomen van deze aandoening op een rijtje zetten. Het hoofdkenmerk is: je wil wel graag winnen maar het kan je niet echt schelen als daar niks van komt. De tijd van niet kunnen slapen omdat je weer helemaal gewonnen stond, maar toch, ligt voorgoed achter je. Je tegenstander geholpen hebben aan een fraaie overwinning voelt ook goed. De ervaring om gewoon fijn geschaakt te hebben is iets waarvan naar punten snakkende jonkies geen enkel benul hebben. Waarschijnlijk komt het daardoor dat het Seniorentoernooi elk jaar weer ontspannen en gezellig verloopt. En ook reden is dat ik dit jaar met de minste punten, als oudste deelnemer van mijn groep, nog meer genoot dan toen ik jonger was.

Zo speelde ik keer op keer nooit de veiligste zetten maar altijd de spannendste en uitdagendste. Heel illustratief voor mijn manier van spelen vind ik mijn partij tegen Huub van Helvoort, rating1972, broer van ons voormalig clublid Rob, tegen wie ik met zwart na 31 zetten de volgende hyperscherpe en voortdurend uitdagende stelling bereikte:

Ik had in de opening een pion geofferd maar deze inmiddels met rente terugverdiend. Maar helaas staat mijn koning wel meer bedreigd dan de zijne. Kwestie van heel voorzichtig richting gewonnen eindspel koersen. Echter: mijn increment is plotseling begonnen en binnen 30 seconden moet ik zetten, en daarna nog negen zetten doen vóór de tijdcontrole! Wit heeft zojuist Db1-b4 gespeeld en pent tegelijk het paard op c5 en valt pion h4 aan. Fritz gaf mij wel meteen +3. Maar ik, in opperste tijdnood, zag nog net dat mijn dame het paard op c5 moest blijven dekken en dat o,a, Td6-d7+ dreigde zodat ik bij voorbaat vliegensvlug met mijn koning naar f8 vluchtte wat onzin was na Dxh4. Drie puinzetten later was mijn tijd op. Alleen Fritz had meteen gezien dat op Db1-b4   a7-a5 het beste was geweest.

Mijn andere partijen vertoonden eigenlijk hetzelfde euvel: veelbelovend gestart maar  roemloos afgeraffeld. Een keer in veel betere stelling herhaling van zetten geweigerd om twee zetten later blunderend door de klok te gaan. En meer van dat moois.

Helaas heb ik ervaren wat het enige echte minder prettige symptoom is van het tachtig-plus-syndroom: de tijdbeleving! Douwe Draaisma heeft ooit een boek geschreven over “Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt”. Je tijdsbeleving verandert. Je gaat zomaar plotseling bijna of helemaal door je tijd! Daarom pleit ik bij deze voor het maken van schaakklokken met ongelijke snelheden om leeftijdsdiscriminatie tegen te gaan.

Jan Toorman